Wegwijs Borstvoeding

5. Baby aan de borst

Zowel de zoekreflex, de zuigreflex als de slikreflex zijn essentieel voor het adequaat drinken aan de borst. Onderstaande figuur biedt een kort overzicht. Figuur: De Reede, A. (2003). Begeleiding bij borstvoeding. Wijk bij Duurstede en Krimpen aan de Lek: Vereniging Borstvoeding Natuurlijk en Stichting Zorg voor Borstvoeding.

  • De tepel, areola en het borstweefsel worden diep in de mond genomen. De lippen krullen naar buiten omheen de borst.
  • Het topje van de tong wordt achter de onderlip en over de onderste tandenboog geplaatst, terwijl de rest van de tong de areola omvat.
  • Tijdens het voeden wordt de tepel door de baby uitgerokken tot een tuitje, totdat de tepel reikt tot aan de overgang van het zachte en het harde verhemelte.
  • De tong wordt door de kaak van de baby naar boven gebracht en drukt de areola tegen de bovenste tandenboog.
  • De lippen, bovenste tandenboog en de tong zorgen samen voor een vacuüm. – Vervolgens maakt de tong golvende bewegingen (zie figuur). De kaak wordt naar beneden gebracht en wanneer het achterste deel van de tong daalt, ontstaat een negatieve druk in de mond waardoor de melkkanalen worden geopend. Wanneer er melk in de mond komt, stimuleert dit de receptoren die de slikreflex inzetten.

Figuur:Riordan, J. (2005). Breastfeeding and Human Lactation. Massachusetts:Jones and Bartlett Publishers.

Wanneer het tongriempje te kort is om de tong vrij te laten bewegen, kan dit problemen opleveren om goed te zuigen. Wanneer de baby niet in staat is om het topje van zijn tong verder dan de rand van de onderste tandenboog te brengen, verloopt de melktransfer minder efficiënt. Het vacuüm dat nodig is om efficiënt te zuigen, wordt snel verbroken. Omdat de baby de tepel en het tepelhof moeilijk kan omvatten, kan hij dan ook de tepel beschadigen wanneer hij drinkt. In dit geval is een frenotomie aangewezen. Dit is een chirurgische ingreep waarbij het tongriempje wordt geknipt. Meestal laat dit onmiddellijk na de ingreep al toe dat de baby comfortabel en efficiënt kan drinken aan de borst.

1. Stimulatie-zuigpatroon: Dit is de manier waarop de baby zuigt bij het begin van een voeding. Het gaat om korte, snelle zuigbewegingen, soms tot tweemaal per seconde. Dit is te zien vooraleer de toeschietreflex optreedt.

2. Nutritief zuigen: We spreken van nutritief zuigen op het moment dat de melk aanwezig is. De baby zuigt op dit moment ongeveer één keer per seconde. Tijdens de toeschietreflex lijkt de baby ononderbroken te zuigen. Wanneer de melkhoeveelheid vermindert zal de baby tussen het zuigen door regelmatig pauzeren.

3. Niet-nutritief zuigen: Onder niet-nutritief zuigen verstaan we het spontane zuigen van de baby zonder dat er iets in de mond van de baby komt (bvb. tijdens de slaap). Dit niet-nutritief zuigen is belangrijk voor de ontwikkeling van het kind, zeker wanneer het om een premature baby gaat. Het stimuleert namelijk de peristaltiek, verbetert de secretie van verteringssappen en maakt dat de baby minder huilt.

Voorwaarde om te kunnen voeden op vraag is dat men zich goed bewust is van de hongersignalen die de baby geeft. Er zijn opeenvolgende manieren waarop de baby aangeeft dat hij honger heeft: sabbelen en niet-nutritief zuigen subtiele lichaamsbewegingen, onrust handjes naar de mond brengen en er eventueel op zuigen zoeken, zuigen op eender wat in de buurt van zijn mondje komt bij een oudere baby: zich naar de borst draaien huilen. Huilen is dus een erg laat hongersignaal. Moeders dienen aangemoedigd te worden om reeds eerder te reageren op de signalen van de baby en niet te wachten tot de baby uiteindelijk van streek geraakt en begint te huilen. Een huilende baby kan immers niet drinken maar heeft tijd nodig om getroost en gekalmeerd te worden.

Het is belangrijk dat de moeder goed gesteund en comfortabel zit. De baby ligt met zijn lichaam dicht tegen de moeder aan en dient zodanig gepositioneerd te zijn dat hij de ruimte heeft om zijn hoofdje en nek vrij te bewegen. Bij het positioneren van de baby aan de borst is het erg belangrijk dat de baby niet wordt vastgehouden ter hoogte van het achterhoofd. Wanneer er druk op het achterhoofd wordt uitgeoefend, de moeder de bewegingen van de baby tracht te controleren, zijn mondje overstimuleert e.d., wordt ingegaan tegen de natuurlijke reflexen van de baby. Dit is beangstigend voor de baby en kan tot borstweigering leiden.

Volgende aandachtspunten zijn belangrijk bij het positioneren: een stabiele basis door het ondersteunen van de baby’s rug en het plaatsen van een handpalm tussen de schouders hoofdje en nek liggen op één lijn en worden ondersteund door de pols of voorarm van de moeder hoofdje, nek en ruggengraat liggen op één lijn, zodat er symmetrie van de middellijn is en de spieren aan elke zijde van de ruggengraat dezelfde bewegingen ervaren.

1. Zittend voeden of madonna-houding: Dit is de meest gebruikte houding en wordt ook als meest comfortabel ervaren. De baby ligt op zijn zij met de voorkant van zijn lichaam helemaal naar de moeder toe (buik tegen buik). Het hoofdje rust op de onderarm van de moeder en de rug wordt door dezelfde onderarm ondersteund. Nadeel van deze houding is dat het hoofdje meestal niet stevig ondersteund wordt maar wiebelt op de arm van de moeder, en de moeder hier slechts weinig controle over heeft.

2. Doorgeschoven in zittende houding voeden: Dit is een variant op de klassieke zittende houding, waarbij de baby op de rechterarm ligt en de moeder het hoofdje met de rechterarm ondersteunt. Tegelijkertijd biedt de moeder met haar linkerhand de linkerborst aan. De houding kan vooral in het begin zinvol zijn, omdat de moeder hier goed kan bijsturen.

3. Zittend voeden met de baby onder de arm, bakerhouding of rugbyhouding: Bij deze houding ligt de baby met zijn beentjes onder de arm van de moeder. Zijn hoofdje rust in de hand van de moeder en de rug wordt ondersteund door haar onderarm. Op het moment dat de baby wil aanhappen brengt de moeder hem dicht naar zich toe. Best kunnen dan kussens gebruikt worden om de baby comfortabel met de onderarm ter hoogte van de borst te houden. Dit is een minder bekende houding die erg nuttig kan zijn als de baby het moeilijk heeft om de tepel goed te pakken. De moeder heeft immers een goed zicht op wat er gebeurt en kan de houding van de baby controleren. Ook vrouwen met erg zware borsten, vlakke tepels, stuwing of keizersnede vinden deze houding vaak prettig.

4. Verticale positie van de baby: Men kan de baby ook in verticale positie voeden. De baby zit hierbij rechtop met zijn buikje tegen de buik van de moeder en de moeder ondersteunt de rug en het hoofdje. In deze positie heeft de baby zelf meer controle over de melkvloed.

5. Liggend op de zij voeden: De moeder ligt op haar zij met een kussen onder het hoofd en in de rug. De baby ligt eveneens op zijn zij met de mond ter hoogte van de tepel. De moeder kan haar onderste arm onder haar hoofd of kussen leggen, en met de andere arm de baby naar zich toe trekken wanneer hij wil aanhappen. Deze houding is erg geschikt wanneer de moeder na de bevalling wil vermijden om te zitten op een pijnlijk perineum of om druk op de wonde van de keizersnede uit te oefenen. Bovendien is het op deze manier voor de moeder mogelijk om tijdens het voeden te rusten.

6. Liggend op de rug voeden: De moeder ligt op haar rug met wat kussens onder haar hoofd en evt. onder de schouders. De baby ligt op zijn buikje bovenop de moeder of gedeeltelijk op een kussen naast haar. Het mondje van de baby komt ter hoogte van de tepel. De moeder ondersteunt met de binnenkant van haar hand zijn voorhoofd zodat zijn neusje niet in de borst zakt. Het is belangrijk om er op te letten dat de baby met de onderkaak voldoende houvast heeft doordat hij met zijn kin vlak tegen de borst ligt.

Volgende punten wijzen er op dat de baby goed is aangelegd: moeder en baby zien er rustig uit en voelen zich comfortabel de baby neemt de tepel en een aanzienlijk deel van het tepelhof en het borstweefsel in de mond de tepel reikt tot 3 à 5 mm van de plaats waar het zachte en het harde verhemelte op elkaar aansluiten, er wordt geen wrijving op de tepel uitgeoefend het topje van de tong bevindt zich verder dan de onderste tandenboog de tong is trechtervormig waardoor ze de borst kan omvatten de baby houdt de borst stevig vast en deze beweegt niet in en uit het mondje het mondje is wijdopen gesperd en de lippen zijn naar buiten gekruld de onderlip ligt verder van de basis van de tepel dan de bovenlip en deze asymmetrie zorgt voor de optimale positie om de tepel, het tepelhof en het borstweefsel vast te houden de kin ligt dicht tegen de borst aan het neusje kan de borst raken, maar blijft vrij om te ademen het hoofdje en lichaam van de baby liggen in één lijn (vooral bij jonge zuigelingen van belang, bij oudere baby’s niet meer zo noodzakelijk) er is een ritmisch patroon van zuigen-slikken-zuigen-slikken (na de toeschietreflex) met af en toe een pauze, en waarbij de kaakspieren ritmisch bewegen.

Bij voldragen en gezonde baby’s zijn volgende oorzaken mogelijk: inbakeren, minimaal huid-op-huidcontact, alles wat ingaat tegen de aangeboren reflexen van de baby om aan te happen en te zuigen pijnstilling van de moeder tijdens de bevalling (bijvoorbeeld epidurale verdoving) druggebruik van de moeder (alcohol, drugs, sedatieven) kunstverlossing (zuignap, verlostang), geboorte-trauma, een snelle geboorte, zuurstoftekort bij de geboorte, sterke vervorming van het hoofdje orale afkeer, bijvoorbeeld door intubatie, inbrengen van een maagsonde, etc. zuigverwarring door het gebruik van een fopspeen of tepelhoedje het temperament van de baby – een onrustige, gefrustreerde en huilende baby zal moeilijk aanhappen en zuigen, net zoals een te rustige, slaperige baby orale infecties zoals spruw of herpes simplex. Daarnaast zijn er een aantal afwijkingen van het gelaat, de mond of de pharynx die adequaat zuigen kunnen belemmeren: een hoog verhemelte: door in utero te duimzuigen of de gewoonte om de tong hoog in het verhemelte te houden en de borst hoog in de orale caviteit te plaatsen waardoor de tepel niet tot bij de overgang tussen het harde en zachte verhemelte reikt vermits de tong een rol speelt bij de vorming van het verhemelte kunnen afwijkingen van de tong (bijv. een te kort tongriempje) resulteren in een afwijkend verhemelte een te kort tongriempje maakt dat de baby het topje van zijn tong niet voorbij de onderste tandenboog kan plaatsen, waardoor de melktransfer minder efficiënt verloopt en de borst beschadigd kan worden een gespleten lip of verhemelte macroglossia of grote tong micrognathia of kleine, terugvallend kin. Tot slot zijn er een aantal disfuncties van het zenuwstelsel die het zuigen kunnen bemoeilijken: spierdystrofie cerebral palsy prematuriteit syndroom van Down disfuncties ten gevolge van infecties zoals cytomegalievirus en toxoplasmose.

Onder borstweigering verstaan we het systematisch weigeren om aan de borst te drinken. Verschillende oorzaken zijn hiervoor mogelijk.

Oorzaken bij de baby:

Bij de pasgeborene:

  • medicatie tijdens de bevalling
  • traumatische bevalling
  • pijn van een gebroken sleutelbeen
  • orale aversie doordat de baby eerder gedwongen werd om aan de borst te drinken
  • Tepelverwarring door gebruik van: tepelhoedjes, fopspenen, zuigflessen, vingervoeden
  • Baby is onwel: luchtweginfectie, pijnlijke keel, verkoudheid met verstopte neus,
  • Gastro-oesophageale reflux: hierbij associeert de baby voeding met pijn
  • Spruw of wondjes in de mond: hierdoor wordt drinken pijnlijk
  • Angst: door een sterke toeschietreflex en de onmogelijkheid van de baby om de borst los te laten, doordat de neus van de baby in de borst wordt gedrukt en hij moeilijk kan ademen (beide bovenstaande punten worden veroorzaakt doordat de baby wordt vastgehouden ter hoogte van het achterhoofd en zelf geen controle heeft)
  • door de reactie van de moeder wanneer de baby gebeten heeft
  • Tenslotte is het mogelijk dat de baby de borst weigert omdat hij klaar is om gespeend te worden.

Oorzaken bij de moeder:

  • moeder is onwel moeder heeft een trage toeschietreflex of weinig melk de smaak van de melk is veranderd o.i.v. voeding van de moeder
  • roken van de moeder
  • excessief sporten van de moeder
  • medicatie of menstruatie
  • de moeder ruikt anders of ziet er anders uit dan voorheen (bvb. door een ander parfum, deodorant te gebruiken, te zwemmen in chloorwater of een totaal andere haarstijl of bril te dragen)

Om het probleem te kunnen aanpakken is het allereerst van belang om na te gaan of het werkelijk om borstweigering gaat. Vervolgens is het nodig om de oorzaak te achterhalen zodat een gerichte aanpak mogelijk wordt. Bij borstweigering kan de moeder als volgt te werk gaan: 

  • stimuleren van de zintuiglijke input door bvb. huid-op-huidcontact zonder te proberen de baby te voeden, met de baby in bad te gaan
  • zorg voor een stabiele positie van de baby bij het aanleggen
  • vermijd om de baby aan de borst te dwingen, dit werkt meestal contraproductief
  • bied de borst aan bij de eerste hongersignalen, bvb. als hij net wakker wordt 
  • kalmeer de baby door hem te wiegen, te zingen, te masseren en bied daarna de borst aan 
  • voed de baby in verschillende houdingen, bvb. rechtop staand, al wandelend, in een draagdoek, in een donkere kamer zonder afleiding 
  • wees alert voor tekenen van uitdroging 
  • het is aangewezen dat de moeder afkolft zodat de productie op peil blijft en de baby de afgekolfde melk uit een kopje kan drinken.
Ontvang ook uw

Internationale erkenning

Bij een gunstige evaluatie ontvangt u van het Expertisecentrum het certificaat ‘Borstvoedingsvriendelijke Organisatie’ , dat erkend is door UNICEF en Kind en Gezin.
Het certificaat is geldig voor 4 jaar.

U kan tijdens het hele proces beroep doen op concrete ondersteuning.