Wegwijs Borstvoeding

14. Borstvoedingsproblemen

Pijnlijke, gezwollen, harde en vaak lichtjes rode plek op de borst. Sommige vrouwen hebben er herhaaldelijk last van en ontwikkelen als gevolg hiervan een borstontsteking

Vaak verdwijnt de verstopping spontaan binnen 24 à 48 uur en is er geen behandeling nodig. Het herstelproces kan worden bevorderd door:

  • door te gaan met voeden aan de borst met het verstopt melkkanaal 
  • het gebied met het verstopt melkkanaal goed te draineren, bvb. door massage en borstcompressie of kolven na de borstvoeding 
  • te verzekeren dat de baby goed aanhapt en tijdens het drinken de borst te masseren 
  • warmte aan te brengen op de pijnlijke plek 
  • voldoende te rusten.

Voor moeders die erg gevoelig zijn voor steeds terugkerende verstopte melkkanaaltjes kan het innemen van 1200 mg lecithine, drie à vier keer per dag, helpen.

een borstontsteking is een ontstekingsreactie in de borst, al dan niet gepaard met infectie.

Initiële symptomen zijn: vermoeidheid, gevoelige plek(ken) op de borst, hoofdpijn en grieperige spierpijnen

Vervolgens: koorts, een verhoogde hartslag en het verschijnen van een warme, rode en pijnlijke zone op de borst

Koorts wijst niet per definitie op een infectie van buitenaf: de opeenhoping van melk kan eveneens voor bacteriegroei zorgen.

Een verstopt melkkanaal ontstaat door het opstapelen van melk. Het niet goed leegdrinken van de borst door een verkeerde aanlegtechniek is hier meestal verantwoordelijk voor. Ook kan knellende kleding of een te kleine bh bijdragen tot een verstopt melkkanaal. Een verstopt melkkanaal kan leiden tot een borstontsteking. De oorzaak ligt dan ook meestal in onvoldoende doorstroming van de borst. Ook kan er bij tepelkloven een infectie optreden. De pijn bij het voeden zorgt er dan wellicht voor dat de melk traag toeschiet waardoor er verstopping ontstaat en de borst niet goed geleegd wordt.

We geven een overzicht van factoren die moeders vatbaar maakt voor borstontsteking: 

  • onregelmatig voeden of te weinig voeden
  • slecht aanleggen waardoor de melk niet goed stroomt 
  • een beschadigde tepel, in het bijzonder bij een infectie met Staphylococcus aureus 
  • ziekte bij de moeder of de baby
  • overvloedige melkproductie of stuwing 
  • zeer snel spenen 
  • druk op de borst door een te strakke bh of een strakke autogordel bijvoorbeeld 
  • melkblaar, verstopt melkkanaal, Candida-infectie 
  • stress en vermoeidheid 
  • ontoereikende voeding van de moeder of anemie 
  • plots veranderd voedingsschema bijvoorbeeld door het wegvallen van nachtvoeding of het uitstellen van de borstvoeding door afwezigheid van de moeder.

1. Verbeteren van de doorstroming 

  • voortzetten van de borstvoeding: voldoende en lang voeden is essentieel om de doorstroming te verbeteren (best beginnen met de pijnlijke borst) 
  • de borst zachtjes masseren tijdens het voeden en evt. afkolven bevordert de doorstroming 
  • deskundig advies kan primordiaal zijn in het voorkomen van een borstabces

2. Pijnverlichting en medicatie

  • toepassen van warmte, voldoende vochtinname 
  • Ibuprofen 
  • oordeelkundig gebruik van een antibioticum, d.w.z. enkel wanneer: er aanwijzingen zijn voor een bacteriële infectie, of de symptomen vanaf het begin al zeer ernstig zijn, of er een tepelkloof zichtbaar is, of de symptomen niet verbeteren na 12 tot 24uur na het bevorderen van de melkdoorstroming Voor de baby heeft een borstontsteking weinig gevolgen. De baby krijgt via de moedermelk antistoffen tegen eventuele bacteriën. Ook bij gebruik van een (geschikt) antibioticum kan de moeder gewoon doorgaan met voeden.

Preventie bestaat in de eerste plaats uit een goed borstvoedingsmanagement. Hieronder verstaan we: 

  • moeders aanleren om de baby correct aan te leggen 
  • het aanmoedigen van voeden op vraag dus geen beperking op duur en frequentie van het voeden 
  • te voeden in wisselende houdingen zodat alle melkkanaaltjes goed geleegd worden 
  • de doorstroming van de melk niet te belemmeren door te strakke kledij of bh 
  • moeders aanleren om af te kolven met de hand wanneer de borsten te vol zijn.

Daarnaast is het belangrijk om aandacht te hebben voor signalen van melkopstapeling. Dit kan door:

  • moeders te leren om hun borsten te controleren op pijnlijke plekken, pijn of roodheid
  • rust te nemen bij tekens van melkopstapeling, warmte toe te passen en pijnlijke plekken te masseren, de baby extra aanleggen of afkolven 
  • moeders aan te raden om gespecialiseerde hulp te zoeken wanneer er binnen 24 uur geen verbetering is.

Bij de moeder: tepelpijn tijdens en na het voeden na een pijnloze periode, waarbij de pijn niet veroorzaakt wordt door incorrect aanleggen de pijn is brandend of diep stekend en kan doorstralen naar de borstkas/schouders/rug de pijn wordt meestal erger naar het einde van de voeding toe en verergert na de voeding de huid van de tepel kan jeuken, glimmen en/of rood zien met soms witte puntjes of schilfertjes; maar soms zijn er ook geen uiterlijke kenmerken vaak is er een voorgeschiedenis van infecties of antibioticagebruik een infectie kan gepaard gaan met herhaalde borstontstekingen

Bij de baby: aan de binnenkant van de wangen of lippen zijn soms witte vlekjes zichtbaar, soms witte aanslag op de tong die niet kan weggeveegd worden met een tissue parelmoerachtige lippen of mondslijmvlies de baby kan branderige en vlekkerige luieruitslag hebben soms winderigheid soms gaat de baby slechter drinken omdat zuigen aan de borst pijn doet mogelijk is de baby asymptomatisch of gaan de symptomen ongemerkt voorbij In geval van zeer ernstige infectie: de infectie kan ook het dieper gelegen borstweefsel bereiken dergelijke infectie gaat gepaard met een brandend en/of stekend gevoel diep in de borst.

Spruw wordt veroorzaakt door de gist Candida Albicans die aanwezig is op onze huid, in het maag-darmkanaal, in het baringskanaal en in onze omgeving. Deze gist ontwikkelt zich vooral goed in vochtige en warme lichaamszones, zoals in de mond of op de tepel. In sommige omstandigheden zorgt dit voor een infectie. Wanneer er vocht vrijkomt bij beschadigde tepels verandert de Candida Albicans van een onschuldige tot een ziekteverwekkende agent. De groei van deze schimmel wordt eveneens gestimuleerd door veelvuldig gebruik van antibiotica.

Voor de baby: 

  • na elke voeding antischimmelmedicatie aanbrengen in de mond en in de binnenkant van de wangen, het tandvlees en de tong (Daktarin ® orale gel) ook als enkel de moeder symptomen vertoont 
  • indien nodig kan de luierzone behandeld worden met Daktozin ®

Voor de moeder:

  • de moeder moet na elke voeding haar tepels behandelen met Daktarin ® crème en dit tot 14 dagen na het verdwijnen van de symptomen, ook als enkel de baby symptomen vertoont
  • bij ernstige en steeds terugkerende schimmelinfectie wordt een algemene behandeling met Fluconazole aangeraden voor de moeder en evt. ook de baby 
  • bij een schimmelinfectie diep in de borst is een behandeling van minimum 3 weken met Fluconazole in voldoende hoge dosis aangewezen

Bijkomende aanbevelingen voor de moeder: 

  • de tepels laten drogen aan de lucht en indien mogelijk ze blootstellen aan zonlicht gedurende een paar minuten,
  • twee maal per dag  borstcompressen vervangen zodra ze vochtig zijn
  • wasbare borstcompressen wassen op 60° of meer 
  • intieme zones steeds goed afdrogen 
  • volledig katoenen bh’s en ondergoed dragen die zeer warm gewassen kunnen worden 
  • vermijden van samen met andere gezinsleden in bad te gaan
  • het gebruik van alcohol, kaas, brood, tarweproducten, suiker en honing beperken 
  • dagelijks één tablet acidophilus (melkzuurbacterie) innemen gedurende twee weken na het verdwijnen van de symptomen 
  • een condoom gebruiken om te vermijden dat de infectie van partner tot partner wordt doorgegeven 
  • goede hygiëne: handen wassen, eventuele (fop)spenen dagelijks 10 minuten koken, speelgoed dat de baby in zijn mondje stopt regelmatig heet afwassen, afkolftoebehoren elke dag 10 minuten koken 
  • gebruik zo weinig mogelijk zeep 
  • de melk die tijdens de infectieperiode wordt afgekolfd mag vers gegeven worden aan de baby maar wordt beter niet ingevroren voor later gebruik vermits het invriezen de schimmel wel inactiveert maar niet vernietigt en het probleem dan opnieuw zou kunnen beginnen. 
  • inmasseren van druppel melk op tepel(s) vermijden

Algemene opmerkingen:

  • het is mogelijk nodig om alle gezinsleden te behandelen vermits een schimmelinfectie zich snel verspreidt 
  • tijdens de behandeling kan de baby verder borstvoeding krijgen 
  • wanneer er ook sprake is van een vaginale infectie dient ook deze behandeld te worden
  • het gebruik van antibiotica is niet aangewezen en werkt de groei van de Candida nog in de hand

Onder fysiologische reflux of regurgitatie verstaan we het onvrijwillig terugvloeien van de maaginhoud naar de slokdarm. De baby heeft hier vaak reeds kort na de geboorte last van. Dit toont zich als volgt: 

  • de baby laat voeding uit de mond lopen of geeft kleine hoeveelheden voeding terug, soms de ganse dag door 
  • de baby ervaart hiervan over het algemeen weinig hinder
  • de baby huilt niet tijdens of na de maaltijd
  • de baby heeft een goede eetlust
  • de baby heeft een normale groei en ontwikkeling.

Fysiologische reflux kan verklaard worden door de anatomische structuur van de overgang tussen de maag en de slokdarm: het intra-abdominaal slokdarmsegment is na de geboorte nog erg kort wat een goede afsluiting van de slokdarm verhindert, op de leeftijd van 3 maanden is dit slokdarmsegment meestal lang genoeg om voor een goede afsluiting te zorgen bij de geboorte bestaat er nog geen scherpe hoek van His. Dit is de hoek die gevormd wordt tussen de slokdarm en de koepel van de maag en voorkomt reflux bij drugverhoging in de buikholte bij de geboorte is de hoeveelheid spierweefsel in de overgangszone tussen maag en slokdarm soms onvoldoende. Dit neemt toe naarmate de baby ouder wordt zodat er tegen de leeftijd van 6 à 7 weken meestal een goede basale spierspanning aanwezig is.

Wanneer duidelijk is dat het om fysiologische reflux gaat, is het belangrijk om aan de ouders uit te leggen dat dit een normaal en voorbijgaand probleem is. De meeste baby’s groeien hier vanzelf uit. Een medicinale behandeling is niet nodig. Wel kunnen een volgende aandachtspunten helpen om de regurgitatie zoveel mogelijk te beperken: 

  • de baby rustig laten drinken
  • de baby niet te lang laten huilen voor de voeding
  • op vraag voeden en geen voeding opdringen 
  • de baby na de voeding even rechtop houden en de tijd geven om te boeren 
  • voor een rustige omgeving zorgen
  • na de voeding de baby zo weinig mogelijk manipuleren zodat de druk op maag en buikholte wordt beperkt (bvb. verluieren voor de borstvoeding) 
  • soms kan het helpen om het bedje van de baby aan het hoofdeinde te verhogen 
  • voeden in een verticale houding 
  • het vroeger opstarten van vaste voeding of overstappen op kunstvoeding wordt niet aanbevolen.

Wanneer de regurgitatie echter gepaard gaat met andere symptomen kan het gaan om pathologische reflux of refluxziekte.

Symptomen die hierop wijzen zijn:

  • de baby weigert de borst of wil net heel vaak drinken 
  • de baby laat de borst vaak los tijdens een voeding 
  • pijn bij het slikken 
  • overstrekken tijdens de voeding
  • veel, ontroostbaar en soms schel huilen
  • de baby wordt onrustig wanneer hij op zijn rug ligt en voelt zich beter wanneer hij rechtop wordt gehouden 
  • prikkelbaarheid 
  • beperkte groei 
  • de baby is erg gespannen en wordt niet graag geknuffeld
  • late aanwijzingen van bloedbraken ten gevolge van slokdarmontsteking 
  • ook chronisch hoesten en astma kan samenhangen met refluxziekte. Hierbij merken we nog op dat de baby last kan hebben van refluxziekte zonder dat er melk wordt teruggegeven. De melk vloeit dan terug in de slokdarm maar wordt door de baby opnieuw ingeslikt, zgn. ‘verborgen reflux’

Terwijl het terugvloeien van melk in de slokdarm op zichzelf niet problematisch is, kan herhaaldelijke en langdurige blootstelling aan maagzuur ervoor zorgen dat de slokdarm geïrriteerd en ontstoken raakt (oesophagitis). Er kunnen inwendige bloedingen ontstaan en de slokdarm kan vernauwd raken.

Het is belangrijk dat nagegaan wordt of het daadwerkelijk om refluxziekte gaat en er geen andere oorzaken zijn voor de symptomen. Om na te gaan of er obstructies zijn in de slokdarm of maag kan een fluoroscopie gedaan worden waarbij de baby een vloeistof moet drinken die zichtbaar wordt met röntgenstralen. De meest gebruikte onderzoeksmethode is de endoscopie. Een flexibele endoscoop wordt via de mond in de slokdarm geschoven en laat toe om na te gaan of de slokdarm ontstoken is en of er obstructies of zweren zijn. Bovendien kan men eventueel een biopsie nemen van de slokdarm of de maag zodat deze kan onderzocht worden op aanwezigheid van bepaalde microben of tumoren. Om de zuurtegraad in de slokdarm te controleren kan een 24u pH-metrie worden gedaan. Hierbij wordt in de slokdarm een dun buisje ingebracht tot net boven de maag. Het buisje is verbonden met een monitor die de zuurtegraad in de slokdarm alsook de schommelingen hierin registreert.

Wanneer vaststaat dat de symptomen die de baby vertoont toe te schrijven zijn aan pathologische reflux zal meestal een medicinale behandeling nodig zijn. Er kan geopteerd worden voor medicatie die voor zuurremming zorgt, voor prokinetica, of een combinatie van beide.

Medicatie die voor zuurremming zorgt:

Gaviscon®: door de zuurbinding zorgt dit voor een tijdelijke bufferwerking 

H2-antihistaminca zoals Zantac® (ranitidine) of protonpompinhibitoren zoals Losec® (omeprazol): remmen de maagzuurproductie

Prokinetica: Motilium® (domperidone): versnelt de motiliteit in slokdarm en maag, en verhoogt de druk op de onderste slokdarmsfincter? Enkel bij anatomische afwijkingen, wanneer andere behandelingsmethoden niet aanslaan en er verdere complicaties zijn, kan een operatie aangewezen zijn.

De moeilijkheden met betrekking tot eten en slapen bij deze kinderen maken een goede begeleiding van de borstvoeding noodzakelijk. Omdat aangetoond is dat sommige kinderen met reflux allergisch zijn voor koemelkeiwit, kan de borstvoedende moeder geadviseerd worden om zuivel te elimineren uit haar dieet en het effect hiervan na te gaan. Vaak wordt borstvoedende moeders aangeraden om over te stappen op kunstvoeding. Hierdoor mist de baby echter alle unieke eigenschappen van borstvoeding en wordt de maag zwaarder belast. Het terugvloeien van kunstvoeding is bovendien agressiever voor de slokdarm dan het terugvloeien van lichaamseigen moedermelk. Het indikken van afgekolfde moedermelk is niet aangewezen. Hoewel de frequentie van het teruggeven hierdoor kan afnemen, zal de blootstelling van de slokdarm aan maagzuur alleen maar toenemen. De verklaring hiervoor ligt wellicht in de minder snelle vertering van ingedikte melk. Het toevoegen van dikkingsmiddelen aan moedermelk biedt dus geen soelaas. Het specifiek toevoegen van granen blijkt verder erg ineffectief: deze granen worden zeer snel afgebroken door de enzymen in de moedermelk. Bovendien zou het gebruik van granen om moedermelk in te dikken bij kinderen met pathologische reflux, verband houden met hoesten. Het kan helpen om de baby rechtop te voeden, maar vermijd om hem in een autostoel of kinderstoel te zetten na de voeding. Hierdoor verhoogt de druk op het middenrif, wat reflux in de hand werkt. Mogelijk is de baby erg onrustig en vraagt hij heel vaak de borst.

Soms ontstaat er een vicieuze cirkel:

  • onrust
  • korte voeding
  • meer onrust door een volumineuze voeding met een hoog lactose- en een laag vetgehalte.

Hierbij is het aangewezen dat de moeder één borst per voeding geeft (in blokken van bijvoorbeeld drie uur), zodat de baby minder maar vetrijkere melk krijgt.

Pyloriushypertrofie of pylorusstenose toont zich als volgt:

  • projectielbraken onmiddellijk na de voeding 
  • beginnend vanaf een paar weken na de geboorte 
  • neemt progressief toe 

Dit klinisch beeld is meestal duidelijk te onderscheiden van de ‘gewone’ regurgitatie, en komt vooral voor bij jongens. Soms houdt de baby zo weinig melk binnen dat de groei achterblijft en de baby uitdrogingsverschijnselen krijgt.

Het normale maagledigingsproces is verstoord doordat de ingang van de maag (pylorus) niet goed of niet op het juiste moment opengaat zodat de druk in de maag oploopt en de maaginhoud krachtig weer uit de mond spuit. De oorzaak hiervoor is onbekend.

De diagnose wordt gesteld op basis van de anamnese en een klinisch onderzoek waarbij de pylorische massa palpeerbaar is en er postprandiaal een duidelijk zichtbare maagperistaltiek is. Bij een deskundige palpatie is er een olijfvormig zwellinkje voelbaar. De diagnose kan bevestigd worden door een echografie.

Hierbij is steeds een operatieve ingreep (pylorotomie) nodig.

Na de operatie kan de baby onmiddellijk terug op vraag gevoed worden. Er is aangetoond dat dit de lengte van het ziekenhuisverblijf significant inkort. Wanneer er bij het voorbereiden van de operatie en tijdens de operatie zelf voedingen worden overgeslaan zal de moeder moeten afkolven om de melkproductie op peil te houden.

Ontvang ook uw

Internationale erkenning

Bij een gunstige evaluatie ontvangt u van het Expertisecentrum het certificaat ‘Borstvoedingsvriendelijke Organisatie’ , dat erkend is door UNICEF en Kind en Gezin.
Het certificaat is geldig voor 4 jaar.

U kan tijdens het hele proces beroep doen op concrete ondersteuning.