Wegwijs Borstvoeding
4. Bijvoeding
Welke nadelen zijn er verbonden aan het geven van bijvoeding?
Over het algemeen is het geven van bijvoeding niet aangewezen. Aan bijvoeden zijn immers belangrijke nadelen verbonden. Zo wordt o.a. het systeem van vraag en aanbod verstoord waardoor de melkproductie nog verder afneemt, kunnen er aanlegproblemen ontstaan, is er een nadelige invloed voor de gezondheid, een verhoogde kans op infecties, worden de nieren onnodig belast en is uit wetenschappelijk onderzoek gebleken dat de lengte van de borstvoedingsperiode negatief wordt beïnvloed door bij te voeden tijdens de kraamperiode.
Hoe kunnen de nadelen beperkt worden wanneer bijvoeding geven noodzakelijk is?
Het is belangrijk dat een (tijdelijke) aanvulling deskundig wordt begeleid zodat de nadelen van bijvoeden worden beperkt en de moeder daarna indien gewenst opnieuw kan overschakelen op volledige borstvoeding. Het is nodig om de baby naast de bijvoeding te blijven aanleggen, zowel voor het op peil houden of stimuleren van de melkproductie, als voor het onderhouden van zijn drinktechniek aan de borst. Ook wanneer de melkproductie onvoldoende is om de baby volledig te voeden is de waarde van moedermelk groot. Hoe
groot of klein de hoeveelheid moedermelk ook is, moedermelk bevat dagelijks immers dezelfde hoeveelheid IgA. Wanneer het nodig is om de baby bij te voeden kan men – in volgorde van voorkeur – volgende bijvoeding geven: afgekolfde moedermelk donormoedermelk kunstvoeding. In België is het echter niet gangbaar om donormoedermelk te geven, aangezien er geen melkbanken zijn.
Hoe kan bijvoeding best gegeven worden?
Er zijn verschillende mogelijkheden om bijvoeding te geven aan de baby. Het gebruik van een zuigfles in de eerste levensweken wordt door sommige bronnen afgeraden aangezien dit voor zuigverwarring kan zorgen en de baby hierna mogelijk niet meer of moeilijk aan de borst zal willen drinken. De keuze van de techniek is afhankelijk van de situatie van moeder en kind. Bij elk van deze voedingsmethoden is het uiteraard van belang om steeds hygiënisch te werk te gaan.
Voeden met een kopje (cupfeeding): Het voeden met een kopje is vaak een geschikte techniek en wordt na enige oefening een praktische en aangename voedingsmethode die weinig energie van de baby vraagt. Dit wordt ook vaak gebruikt bij premature baby’s zodat langdurige sondevoeding vermeden kan worden. Bovendien gaan er op deze manier minder vetten verloren dan wanneer de baby via sonde wordt gevoed, en worden verder de tong- en mondspieren van de baby geoefend alsook de zoek- en slikreflex gestimuleerd. Ook een baby die omwille van een neurologische aandoening niet in staat is om te zuigen kan op deze manier gevoed worden, omdat het wel lukt om de voeding op te likken. Nadelen van voeden met een kopje zijn dat de baby er erg gehecht aan kan worden wanneer hij daarnaast niet regelmatig wordt aangelegd, dat niet wordt voldaan aan de zuigbehoefte van de baby, en dat men zorgvuldig te werk moet gaan en de melk niet zomaar in het mondje mag gegoten worden. Bij pasgeboren baby’s die zich gemakkelijk verslikken is het niet aangewezen om te voeden met een kopje – bijvoorbeeld bij een slechte braakreflex, algemene futloosheid of belangrijke neurologische aandoeningen. Voeden met een kopje gebeurt met behulp van een 60cc maatbekertje, of een ander glas of kopje met een gladde en dunne rand. Om te vermijden dat de baby het kopje omgooit kan het nodig zijn om zijn handjes in een omslagdoek te slaan. Men houdt de baby rechtop op schoot en laat het kopje rusten op de onderlip van de baby waarna men het kopje schuin houdt tot de melk het mondje van de baby raakt. Het is niet de bedoeling om de melk in het mondje van de baby te gieten, de baby zal in eerste instantie de melk met zijn tong naar binnen likken. Later zal hij meer gaan zuigen of slurpen. De baby bepaalt zelf het ritme en de hoeveelheid voeding. Dit is zeker belangrijk om verslikking te voorkomen. Wanneer de baby even stopt met drinken kan men het kopje gewoon tegen de mond laten rusten, en niet weghalen.
Vingervoeden: Vingervoeden kan zowel gebruikt worden om vast te stellen hoe de baby zuigt en slikt, als om bijvoeding te geven. Al wordt het systematisch bijvoeden op deze manier niet aanbevolen omdat de prikkel van de vinger net zoals de speen kan zorgen voor zuigverwarring. Bij vingervoeden wordt het ene uiteinde van een sondeslangetje in een kopje of flesje gevuld met voeding gehangen, terwijl het andere uiteinde wordt vastgemaakt aan de vinger. Nadat men de vinger met de nagel op de tong en de vingertop tegen het gehemelte legt, trekt de baby meestal de vinger naar binnen en begint te zuigen.
Spuitje: Het gebruik van een spuitje of druppelaar kan een goede oplossing zijn wanneer men kleine hoeveelheden voeding wil geven. De baby wordt rechtop gehouden en het is nodig om op te passen voor verslikken. Het is de bedoeling om eerst enkele druppels voeding op de tong te laten proeven en te wachten tot de baby begint te zuigen. Daarna kan men terwijl de baby zuigt, beetje bij beetje, wat voeding aan de zijkant van de wang laten lopen. Wanneer de baby slikt is het nodig om even te pauzeren.
Borstvoedingshulpset: In vele gevallen wordt de voorkeur gegeven aan deze voedingsmethode. Op deze manier wordt immers de melkproductie van de moeder gestimuleerd én kan de baby bijvoeding krijgen zonder gewoon te raken aan een speen. Het gebruik van een borstvoedingshulpset is aangewezen in volgende situaties: voeden van een adoptiebaby bij langdurige bijvoeding (bijvoorbeeld in geval van hartafwijking of Syndroom van Down) in geval van relactatie bij zuigproblemen (door neurologische afwijkingen of bij zuigverwarring). Een belangrijke voorwaarde om een borstvoedingshulpset te gebruiken is dat de baby een adequaat zuig- en slikpatroon heeft. De hulpset bestaat uit een flesje waarin de voeding wordt gedaan, en twee slangetjes die elk aan een borst worden vastgeplakt. Hierbij is het van belang dat het uiteinde van het slangetje iets voorbij de tepel en onder de bovenlip van de baby komt. Een goede begeleiding is nodig om ervoor te zorgen dat de baby de borst ver genoeg in zijn mondje neemt en niet alleen uit het slangetje zuigt. De slangetjes zijn heel dun en moeten na gebruik onmiddellijk goed doorgespoeld worden (eerst met koud water en nadien met warm water) om indrogen van de melk te voorkomen.
Ontvang ook uw
Internationale erkenning
Bij een gunstige evaluatie ontvangt u van het Expertisecentrum het certificaat ‘Borstvoedingsvriendelijke Organisatie’ , dat erkend is door UNICEF en Kind en Gezin.
Het certificaat is geldig voor 4 jaar.
U kan tijdens het hele proces beroep doen op concrete ondersteuning.
