Wegwijs Borstvoeding

3. Te veel of te weinig melk

Voeden op vraag impliceert dat er geen beperkingen zijn in frequentie en duur van de voedingen. Onderzoek toonde aan dat de voordelen van voeden op vraag velerlei zijn. Er wordt bij de baby minder gewichtsverlies tijdens de eerste week postpartum vastgesteld, en voeden op vraag blijkt samen te hangen met een langere borstvoedingsduur. Frequent voeden leidt verder tot minder hyperbilirubinemie in de vroege neonatale periode, helpt stuwing te voorkomen en zorgt voor een vlottere stabilisatie van de borstvoeding. Voor baby’s die ouder dan 4 à 6 weken zijn en die zeer frequent niet-nutritief willen zuigen kan er eventueel wel aan gedacht worden om een andere manier van zuigen aan te bieden, indien de moeder dit wenst. Hiervoor is het belangrijk om de ouders het verschil uit te leggen tussen nutritief en niet-nutritief zuigen (zie vraag ‘ Baby aan de borst > Welke verschillende zuigpatronen bestaan er ’)

Mogelijke kenmerken bij de moeder: blijvend gespannen en pijnlijke borsten verstopte melkkanaaltjes mastitis of borstontsteking lekken van de borsten tussen de voedingen

pijnlijke toeschietreflex. Mogelijke kenmerken bij de baby: onrust tijdens en na de voeding verslikken veel huilen melk teruggeven weigeren van de borst bij een te sterke toeschietreflex zeer grote of juist kleine gewichtstoename. hikken tijdens en na de voeding zeer frequente en korte voedingen waardoor de baby enkel voormelk krijgt met als gevolg winderigheid, en soms overvloedige, schuimende en zelfs groene ontlasting.

Bedoeling is om de hoeveelheid melk die wordt aangemaakt te verminderen, zodanig dat aanbod en vraag opnieuw met mekaar overeenstemmen. Op deze manier kan mastitis voorkomen worden en de baby opnieuw tevreden aan de borst drinken. Eén borst per voeding: zorgt ervoor dat de borst goed leeggedronken wordt en de baby de vetrijke achtermelk krijgt waardoor een teveel aan lactose wordt vermeden. Wanneer de baby zeer vaak wil drinken is het raadzaam om binnen een tijdspanne van 3 à 4 uur telkens opnieuw dezelfde borst aan te bieden, en dit tijdelijk gedurende 2 à 3 dagen. Nadien kan dit aangepast worden aan de individuele voorkeur en aan de melkproductie (bij sommige vrouwen is de melkproductie na drie dagen blokvoeden ernstig afgenomen en is stimulatie aan beide borsten weer nodig om de productie op peil te houden).

Bij stuwing in de andere borst kunnen koude koolbladeren (of compressen) de pijn verlichten: men spoelt een koolblad van witte of groene kool af onder de kraan, verwijdert de harde nerven, en kneust het blad (bijvoorbeeld met een deegrol). Het toepassen van koolbladeren op de borst werkt enerzijds ontzwellend, maar zorgt er anderzijds ook voor dat de melkproductie wordt afgeremd. Er wordt aangeraden om dit niet meer dan drie keer per dag gedurende twintig minuten te doen. Vaak is het ook nodig om wat melk af te kolven, maar niet meer dan nodig om het ongemak van de stuwing weg te nemen. Geleidelijk aan zullen de borsten zich aanpassen aan het nieuwe vraag- en aanbodsysteem en zal de melkproductie verminderen. Overvloedige melkproductie gaat vaak gepaard met een krachtige toeschietreflex. Indien de baby hierdoor de borst weigert kan de moeder met de hand wat melk afkolven tot de melk toeschiet en pas na de hevige toeschietreflex de baby aanleggen.

Een andere mogelijkheid is om de baby aan te leggen, maar weg te nemen zodra hij last heeft van de hevige toeschietreflex. Ook een andere aanleghouding kan helpen, bv. in rugligging. De baby in verticale positie voeden maakt dat hij zelf meer controle heeft over de melkvloed.

Om vast te stellen of de melkproductie toereikend is, is het vooral belangrijk om te letten op het aantal natte luiers en het gewicht van de baby. Daarnaast kunnen ook andere tekens bij de baby of de moeder wijzen op een ontoereikende melkproductie. Urine en stoelgang Wanneer de melkproductie goed op gang komt, vanaf de derde of vierde dag na de bevalling, hoort de baby zes tot acht natte katoenen luiers of vijf tot zes wegwerpluiers per dag te hebben. Na zes weken zal de blaas van de baby in omvang toenemen en in staat zijn om meer urine te bevatten. Hierdoor kan het aantal natte katoenen luiers afnemen tot vijf of zes per dag, en het aantal wegwerpluiers tot vier of vijf per dag, maar ze zullen per keer meer urine bevatten. Het is hierbij steeds belangrijk dat de urine niet sterk geconcentreerd of sterk ruikend is. Eén à twee dagen nadat de melkproductie op gang gekomen is en het meconium is uitgescheiden, zal de ontlasting van een borstgevoede baby vormeloos en geelachtig van kleur zijn, met een milde niet onaangename geur.

De meeste baby’s zullen zolang ze uitsluitend borstvoeding krijgen twee tot vijf keer ontlasting hebben per etmaal. Wanneer de baby tijdens de eerste vier tot zes weken minder dan twee keer per etmaal ontlasting heeft is het zinvol om de frequentie en de duur van de borstvoeding na te gaan en het aantal natte luiers te controleren. Hoewel dit niet per definitie problematisch is, kan het wijzen op onvoldoende melkproductie. Ook wanneer er slechts weinig ontlasting is, de ontlasting onregelmatig, droog of hard is, zijn er mogelijk problemen met de melkproductie. Na de leeftijd van vier tot zes weken is de stoelgangfrequentie bij borstgevoede kinderen sterk wisselend. Dit kan variëren van zeven keer per dag tot één keer per week.

Op voorwaarde dat de stoelgang zacht blijft wordt elke frequentie binnen deze variatie als normaal beschouwd. Gewicht Verder kan het gewicht van de baby aangeven of de baby voldoende voeding krijgt. De melkproductie is ontoereikend wanneer: de baby na de geboorte meer dan 10% van zijn geboortegewicht verliest er geen terugkeer naar het geboortegewicht is op de leeftijd van 2 weken de baby minder dan gemiddeld 20 g/dag bijkomt nadat hij zijn geboortegewicht heeft herwonnen. In deze gevallen is een grondige evaluatie op medisch en borstvoedingsvlak nodig, aangezien voedings- of gewichtsproblemen symptomen van ziekte kunnen zijn. In het algemeen is het geboortegewicht van de baby op de leeftijd van vijf maanden verdubbeld, op de leeftijd van één jaar verdrievoudigd en op de leeftijd van twee jaar verviervoudigd. De groei van kinderen die borstvoeding krijgen verschilt echter van de groei van kinderen die kunstvoeding krijgen, en verloopt meer stapsgewijs. Terwijl de gewichtstoename van borstgevoede en kunstgevoede baby’s tijdens de eerste maanden gelijkloopt, komen kunstgevoede baby’s rond de leeftijd van drie à vier maanden meer bij dan borstgevoede baby’s. Deze verschillen in gewichtstoename vormen een belangrijk gegeven, aangezien de groeicurves voor kinderen standaard gebaseerd zijn op de groei van kinderen die kunstvoeding krijgen, en men op basis hiervan bijgevolg niet te snel mag concluderen dat borstgevoede kinderen te weinig bijkomen en de borstvoeding ontoereikend zou zijn. Andere tekenen Volgende tekenen bij de baby kunnen er eveneens op wijzen dat hij te weinig moedermelk krijgt: de baby is niet tevreden of verzadigd na de voeding de baby huilt veel, vaak zwakjes of hoog en schel de baby wil vaak en lang drinken de baby slaapt lang door de baby is futloos de baby weigert de borst de baby is onrustig wanneer hij wordt neergelegd. Deze gedragingen kunnen ook andere oorzaken hebben. Mogelijk maakt de baby een groeispurt door, is de smaak van de melk niet aangenaam, heeft de baby krampen of gaat het om een baby die van nature uit veel contact wil, of is er een medische oorzaak.

De oorzaken van onvoldoende melkproductie kunnen zich situeren op vier verschillende niveaus. Fysieke oorzaken bij de moeder Allereerst is het van belang om na te gaan of er bij de moeder fysieke oorzaken zijn. Hierbij denken we aan: hormonale onderdrukking van de lactatie het achterblijven van placentaresten (waardoor het progesteron- en oestrogeengehalte hoog blijft) schildklierproblemen ernstige acute of chronische ziekte zwangerschap, anticonceptie onvoldoende ontwikkeling van het borstklierweefsel ingetrokken tepels, tepelpijn borstchirurgie, borsttrauma anemie gebruik van bepaalde medicatie, roken, alcohol of drugs.

Psychologische oorzaken bij de moeder. Naast fysieke oorzaken bij de moeder, dient ook te worden nagegaan of psychologische factoren de melkproductie kunnen remmen, bijvoorbeeld: onvoldoende zelfvertrouwen stress, bezorgdheid vermoeidheid negatieve gevoelens tegenover de baby borstvoeding beu. negatieve gevoelens t.o.v. het aanraken van de borsten (vb. bij vroeger seksueel misbruik). Oorzaken bij de baby De oorzaken voor onvoldoende melkproductie kunnen zich ook bij de baby situeren. Het kan zowel om zijn gedrag gaan, als om een ziekte of aandoening van de baby.

Gedrag: afkeer van de borst, wegtrekken, orale afkeer door aspiratie of intubatie slaperige baby insufficiënt drinken zuigverwarring.

Ziekte/aandoening: gastro-oesophageale reflux voedselallergie of –intolerantie ademhalingsproblemen prematuriteit neurologische problemen te kort tongriempje andere aangeboren afwijkingen. Oorzaken op het vlak van borstvoedingsmanagement Vaak is onvoldoende melkproductie echter te wijten aan een onaangepast borstvoedingsmanagement, zoals: late start van de borstvoeding: voor het verdere verloop van de borstvoeding is het belangrijk om de baby binnen het uur na de geboorte aan te leggen te weinig voedingen, te korte voedingen en geen nachtvoedingen: voldoende vaak en voldoende lang voeden is van belang om het melkproductiesysteem van vraag en aanbod op peil te houden. inefficiënt zuigen, aanlegproblemen: wanneer de baby voldoende vaak wordt aangelegd, maar toch te weinig melk krijgt kan het zijn dat hij niet efficiënt zuigt of er aanlegproblemen zijn. fopspenen, tepelhoedjes en flesvoeding: door het geven van fopspenen en flesvoeding kan enerzijds zuigverwarring ontstaan, en neemt anderzijds de vraag naar borstvoeding af waardoor de melkproductie van de moeder zal afnemen.

In geval van onvoldoende melkproductie is het zaak om na te gaan wat de oorzaak hiervoor is, zodat het borstvoedingsmanagement kan afgestemd worden op de oorzaak. Allereerst is het nodig om een voeding te observeren, met aandacht voor de conditie van de borsten en de tepels, de houding van baby en moeder, het aanhappen van de baby, het slikken van de baby, en de manier waarop baby en moeder op elkaar reageren. Vervolgens dient te worden nagegaan hoe frequent er gevoed wordt, hoeveel natte luiers de baby heeft, hoeveel stoelgangluiers er zijn en de aard ervan, en of de baby voldoende bijkomt.

Na de anamnese en het observeren van de borstvoeding zijn volgende acties aangewezen om de melkproductie te verhogen (aangepast aan de specifieke probleemsituatie): – indien nodig het aanhappen en drinken van de baby verbeteren – de frequentie van de voedingen of het afkolven verhogen – geen tijdslimiet, maar de baby de kans geven om voldoende lang aan de borst te drinken – bij elke borstvoeding aan beide borsten aanleggen – borstmassage, borstcompressie – wisselvoeden in geval van een slaperige of premature baby – vermijden van het gebruik van flessen, spenen en tepelhoedjes – gezonde voeding, voldoende drinken en rust voor de moeder. Indien de productie ook na aangepast borstvoedingsmanagement laag blijft is het aangewezen om na de borstvoeding of tussen de voedingen nog extra af te kolven om de melkproductie te stimuleren, of gebruik te maken van medicatie die de melkproductie stimuleert.

Werken aan de preventie van onvoldoende melkproductie kan op verschillende manieren. Allereerst is het van belang om ouders te stimuleren om prenatale lessen over borstvoeding te volgen, zodat ze voldoende en correct geïnformeerd zijn. V

ervolgens kan een prenataal nazicht van de borsten zinvol zijn. Ten derde is het van belang dat de borstvoedingsbegeleiding gebeurt door een degelijk getraind en gemotiveerd team, waarbij de therapeutische aanpak is afgestemd op de oorzaak.

Tot slot kan het ‘borstvoedingsbilan ’, een instrument ter detectie van moeders die een verhoogde kans hebben om vroegtijdig te stoppen met borstvoeding, eveneens een bijdrage leveren tot het opsporen van moeders die mogelijk te maken krijgen met onvoldoende melkproductie. Ter preventie van onvoldoende melkproductie is het eveneens van belang om zicht te hebben op wie extra risico loopt. We onderscheiden een aantal risicofactoren bij de baby, en een aantal risicofactoren bij de moeder.

Bij de baby: prematuriteit groeiachterstand in de baarmoeder langdurig geel zien problemen met de coördinatie van zuigen, slikken en ademhalen, vaak door een aangeboren afwijking afwijkingen in het mond- en keelgebied baby’s die de eerste dagen gescheiden waren van de moeder onrustige baby meerlingen. Bij de moeder: onvoldoende geïnformeerd late keuze voor borstvoeding duidelijk voornemen om slechts beperkt borstvoeding te geven weinig zelfvertrouwen gevoelig voor privacy bij het borstvoeden weinig ondersteuning van partner, en ruimere omgeving slechte gezondheid en ziekte tijdens de borstvoeding.

Ja. Dit wordt ‘relactatie’ genoemd. We spreken van relactatie wanneer een moeder die reeds gestopt was met borstvoeding, nooit met borstvoeding gestart is (al dan niet door lactatieremmers) of waarvan de melkproductie zo goed als onbestaande is, opnieuw borstvoeding wil geven.

Vaak berust de beslissing hiertoe op een emotionele basis. Ook is het mogelijk dat men de borstvoeding opnieuw wil opstarten omwille van ernstige allergieën voor beschikbare kunstvoeding. In deze situaties kan de melkproductie opnieuw worden opgevoerd. Bij relactatie is frequente borststimulatie noodzakelijk omdat het zuigen van de baby de productie stimuleert. Het is in eerste instantie dan ook nodig om de baby opnieuw goed aan de borst te krijgen.

Hierbij is de periode waarin de borstvoeding gestopt werd van belang en is het de de vraag of de baby (opnieuw) de borst accepteert. Hoe jonger het kind, hoe groter de kans dat de baby aan de borst zal willen zuigen. Als de baby niet aan de borst wil drinken kan de moeder frequent afkolven om de melkproductie terug op gang te brengen. Mits intensieve begeleiding, is ondersteuning door middel van medicatie vaak niet nodig.

Vooraleer de baby aan te leggen kan het zinvol zijn om de eerste honger te stillen met wat bijvoeding, bijvoorbeeld uit een kopje, zodat de baby niet ongeduldig wordt aan de borst. Pas wanneer duidelijk wordt dat de melkproductie voldoende is, o.a. door het duidelijk horen slikken van de baby of het voelen van een toeschietreflex door de moeder, kan de bijvoeding geleidelijk worden afgebouwd. Bij relactatie kan het gebruik van een borstvoedingshulpset een goed hulpmiddel zijn

Ouders die een baby adopteren kunnen er eveneens voor kiezen om hun baby borstvoeding te geven. De motivatie hiervoor kan tweeërlei zijn; enerzijds spelen de gezondheidsvoordelen van borstvoeding een rol, maar anderzijds hecht men vaak vooral belang aan de intieme band tussen moeder en kind die op deze manier wordt versterkt.

Het geven van borstvoeding aan een adoptiebaby komt tegenwoordig frequenter voor en raakt stilaan beter aanvaard. In deze situatie wordt de melkproductie niet op gang gebracht of gestimuleerd door de zwangerschapshormonen. Het stimuleren van de endogene hormonen oxytocine en prolactine kan gebeuren door het zuigen van het kind, kolven met de hand of met een afkolftoestel en het stimuleren van de tepels. De adoptiemoeder kan reeds een aantal weken voor de komst van de baby starten met kolven en gedurende de laatste week (weken) kolft ze net zo vaak als de baby ongeveer zal drinken (kleine baby elke 2 à 3 uur – ook s’ nachts -, grotere baby om de 4 uur). Het toedienen van exogene hormonen zoals oestrogenen en progesteronen in deze situatie is wetenschappelijk nog niet voldoende onderzocht. Vaak wordt gebruikt gemaakt van lactatiestimulerende middelen, bijvoorbeeld domperidone. Of het opstarten van borstvoeding bij een adoptiebaby succesvol is hangt verder in grote mate af van de bereidheid van de baby om aan de borst te drinken. Vermits de moeder niet de voordelen heeft van de voorbereiding die de borsten tijdens de zwangerschap ondergaan, is het op gang brengen van de melkproductie sterk afhankelijk van het goed zuigen van de baby, de frequentie van aanleggen, de kracht van het zuigen en de duur van iedere aanlegperiode. Ook leeftijd speelt een belangrijke rol: bij zeer jonge baby’s is de kans groter dat de baby de borst zal aanvaarden dan bij baby’s die al wat ouder zijn.

Ontvang ook uw

Internationale erkenning

Bij een gunstige evaluatie ontvangt u van het Expertisecentrum het certificaat ‘Borstvoedingsvriendelijke Organisatie’ , dat erkend is door UNICEF en Kind en Gezin.
Het certificaat is geldig voor 4 jaar.

U kan tijdens het hele proces beroep doen op concrete ondersteuning.